Teksten : STAAL / Chocolat Chaud: kleine gids voor de tentoonstelling

In een klein kamertje wordt op een zilveren tv-monitor de foto van een onbereikbare ijsheid getoond. Het tv-toestel staat op de grond en zijn beeld, fris vanuit het halfduister, is al te zien vanop de stoep waneer de voordeur, 7 rue Percée in Yvetot, opengaat; op ooghoogte hier nog, want u gaat binnen via enkele trappetjes op. Een beetje rechts, achter het beeld van ijs, is een kleine camera aan de vloer vastgeklonken. Eveneens op de vloer, gefrommeld zilverpapier en in de hoek, rechts van de deuropening, rondslingerende reclamefolders. Een strak gespannen staaldraad op wat meer dan een meter in de kamer en boven de grond laat vermoeden dat dit papier een rol speelt. Het is Paysage (inversé) (2000) van Ronny Heiremans. Het landschap, dat weten we, is een uitvinding. Het in woord of beeld, het in de verbeelding brengen van een stuk natuur dat zich voor ons uitstrekt, ligt aan de oorsprong van het begrip. Wanneer we het hebben over 'een landschap' is dat dus al een inversie, een omkering van de gewone orde. Het is een beweging die Ronny Heiremans nogmaals omkeert. Het landschap, het stuk natuur, wordt in dit werk in ere hersteld door middel van een eenvoudige maar doorgedreven virtualisering. De kleine camera registreert en zet door het gebruiken van haar negatief-modus de (zilver)papieren gewiekstheid op de vloer om tot een sublieme ijszee, een 'afgesteld' landschap van ijsschotsen en -bergen. Het soort landschap dat model staat voor de kleinheid van de mens. Maar dan verschijnt in het beeld van deze ijszee, in deze leegheid, op het strakke wateroppervlak, plots het paar voeten en onderbenen van een immense reus: de uwe, als bezoeker van dit werk. Het romantische streven is omgedraaid; olijk opent zich de afgrond van de perceptie, waarna die zich mooi opnieuw sluit.
Bij het betreden van de gelijkvloerse hoofdruimte van Galerie Duchamp, een vroeger magazijn met gietijzeren zuiltjes, ziet men al diverse werken gepresenteerd (ik zie ze, ik vermoed hun werking, en een brede trap achteraan laat vermoeden dat er boven nog meer is. Zij geven mijn stappen een licht gevoel, de verwachting van nieuwe dingen, de ogen verkwikt door het ijsland).
Maar eerst stuit u op een tafel, van de beige soort, de klerk onder de tafels, met daarop een vierkantige plank. En daarop rechtop, onderaan gecaleerd met een kartonnetje, een houten lat die, heel lichtjes schuin, reikt tot aan het houten plafond tussen de balken. Gespannen. Zo lijkt het. De staak raakt de zoldering echter niet en eindigt zowat drie centimeter eronder. De staak staat, zoals in de toverkunst. Deze orchestratie van het oogbedrog is hoewel niet zichtbaar ook niet echt verhuld. Het oogbedrog is dan ook geen finaliteit, maar een introductie, de entree tot dit werk van Freek Wambacq: Construction pour une latte verticale qui touche le plafond, … presque (2002). Van belang is, zoals de titel aangeeft, het construeren. Onmiskenbaar is het intellectueel plezier van deze installatie die slechts beroep doet op uiterst beperkte middelen, op wat construeerbaar is op elke plaats met een plafond. Wat dit werk verder doet, wordt duidelijk wanneer u het in de galerieruimte van een grotere afstand bekijkt: het voorziet de ruimte van een kaliber, maar ook alles wat er gebeurt en in te zien is. De steile staak, tussen tafel en plafond, ijkt. Door zijn spankracht gaat de waarneming even aan het trillen: kijken wordt gelijkgesteld aan meten. Ook figuurlijk, omdat de lat de spanwijdte bepaalt van de manier waarop de toeschouwer zich zal opstellen naar de andere tentoongestelde werken. Niet dwingend, maar impliciet. De staak is een vraagteken dat een ferm uitroepteken wordt. Hier staat een sculptuur, naakt en zonder technische eigenschappen. Het is echter geen ingreep waarbij de materie maximaal wordt gedenudeerd ten voordele van de idee. Maar wel een waarbij een minimale constructie een sculptuur wordt, met volle 'acte de présence'.
Verder, voorbij de antichambre en de entree, ziet u tegenover elkaar aan de muur vijf op aluminium gekleefde foto's en op de grond een installatie bestaande uit paneeltjes gecomponeerd tussen en omheen twee gietijzeren zuiltjes. De foto's zijn van Freya Maes en de installatie is van Lucie Renneboog. Op een bijzondere manier treden beide werken in deze tentoonstelling met elkaar in wisselwerking: ook de foto's zijn paneeltjes, en in een visuele uitwisseling van abstractie en figuratie door de toeschouwer ontstaat een interessant spel van schaal en dimensie.
De titelloze foto's van Freya Maes stellen in verschillende formaten en van links naar rechts het volgende voor: een wat trieste mevrouw in uniform met een strikje en een dienblad met taartjes; twee plastieken emmers (een rode en een blauwe) op de stoep voor de halfgeopende deur van een eenvoudig bakstenen rijhuis; een in parmantig-bevallige houding poserend meisje met een handdoek om het hoofd gewikkeld; een coca cola automaat dat met een huis op de achtergrond een vreemde juxtapositie vormt; en stappende vrouwenbenen van achteren gezien, stijf van het slankheidssyndroom. Het is een snapshotachtige fotografie waarbij binnen het gewone het buiten-het-gewone vastgelegd wordt. Er blijkt het plezier uit van een om zich heen kijken, met een wat dwalende en filosofische blik, op zoek naar de 'restproducten' van een bepaalde context; het plezier ook om deze binnen die context zo goed mogelijk weten te kadreren. Deze restproducten vallen moeilijk eenduidig te omschrijven, maar het betreft die elementen, van heel verschillende aard, binnen het beeld die door hun surreële input de realiteitswaarde, of ons inlevingsvermogen in die realiteit, verhogen. Ook het ogenschijnlijke gemak waarmee Freya Maes deze foto's maakt, draagt daartoe bij. De stappende vrouwenbenen in strak rokje, die in de tentoonstelling geheel rechts in de reeks het hoekje lijken te willen omlopen, zijn het clichébeeld van een kosmetisch getrimd slankheidsideaal. Zij houden er stevig de pas in. Haar linkerpols torst een kanjer van een horloge, de hand daaronder onnatuurlijk gestrekt. Uit de handtas omheen de rechterschouder steekt een folder of verpakking met daarop de afbeelding van een vrouw met om haar middel en knieën heen strakke banden, de hulpstukken van bovengenoemd ideaal. Perfectie is hilarisch.
De installatie van Lucie Renneboog is opgebouwd uit liggende en rechtopstaande paneeltjes bekleed met diverse patronen, kleuren en materies vloer- en muurbekleding. Het resultaat is een labyrinth en draagt als titel de haast filmische quote: What Happened to the Day When You Tried to Hide Away Your Horror for Me (2001). Wat u vanop een afstand ziet als een driedimensionele collage, een patchwork, wordt van dichtbij en binnenin een filmset, de locus voor een oneindige 'hide & seek', een psychopatische achtervolging, een veelgelaagd computerspel, een 'dollhouse' waarin men onheilspellend het resultaat van de travelbewegingen van een camera kan naspeuren en -turen. Net als bij een maquette het geval is, en naar gelang onze inleving in het gesuggereerde verhaal, is deze installatie op verschillende schalen te bekijken. Daarbij is zelfs een blik van bovenuit mogelijk, vanop de verdieping van de galerie doorheen een vide, een rechthoekige uitsnijding in het midden van de vloer. Die blik is interessant, niet alleen omwille van het veranderde in-zicht in de compositie, maar ook omdat door het wegvallen van context en referenties, zoals de wereld vanuit een vliegtuig, de schaal van het geheel nog maar moeilijk valt in te schatten. De 'maquette' wint hierdoor, en door het innemen van weer andere standpunten, aan abstractiewaarde; de formele eigenschappen van het labyrinth treden naar voor. We hebben te maken nu met (de analyse van) een systeem. Door de hoekigheid ervan denken we niet aan een biologische of fysiologische entiteit, maar aan artificiële (denk)systemen, zoals een trial/error-systeem, een mnemo-technisch of een urbain systeem. Nieuwe mogelijkheden tot verhalen kunnen zich daaraan vasthechten.
Een van de manieren om naar het werk van Lucie Renneboog te kijken is door uw blik panoramisch over de galerie te laten glijden. Wanneer u dat doet vanaf de wand rechts diagonaal naar achter toe, kan u in het verlengde van haar installatie deze in samenspel brengen met een systeem van heel andere aard: een andere stad in een ander land zou men kunnen zeggen.
De knaloranje bolvormen van Francis Denys, die fel oplichten in en achter de hoek en onder de brede houten treden van de trap naar boven, en in een deel van de galerieruimte een meewarig rozig licht weerkaatsen, heten O,o (2002). Hier is de installatie, gezien als de representatie van een systeem, wel fysiologisch van aard (een samentroeping van bloedlichaampjes), of misschien wel groentenachtig van aard daar onder de herfstzon (een oude lamp). Het gebruikte materiaal en de techniek, in tape gespannen balen stro, zijn even rudimentair als bij Renneboog (of bij Wambacq). Geen hi-tech materiaal of vormgeving, maar organisch gegroeide self-made met wat voorhanden is. O,o is naast een compositie of representatief systeem ook letterlijk een fysisch systeem. De titel als trendy designnaam wijst er al op. De installatie is in wezen een soort salonnetje waarin de bezoeker van de tentoonstelling even op een bol gaat zitten, een gesprekje aanknoopt met een medetoeschouwer, of het cataloogje ON/AF over Francis Denys' eerder werk ter hand neemt en doorkijkt. Er liggen er een stapeltje van onderin het kubusvormig plexi tafeltje dat samen met de lamp en een opgeplooid samengehaakt deken (tegen koude knieën) de 'salonfähigheid' van de installatie completeert. Tot slot verbergt zich ook nog ergens een konijn tussen de even feloranje zitballen.
Deze zitplaats die u, be/zoeker of toe/schouwer, toelaat even te mijmeren of na te denken (of, zoals Andy, in te dutten), biedt door een dubbele glazen deur een uitkijk naar buiten op een binnenplaats, op iets wat (g)een samenhang is van appartementsbalkonnetjes, parkeerplaatsen, pastelkleurgepleisterde muren, blinde bogen, planten, een ijzeren hek. Een accidenteel krampachtig samengehouden amalgaam van stijlen en dingen, waarbij een voortdurende twijfel of niet-negocieerbaarheid voelbaar is tussen de stijl en het ding.
Lieve D'hondt wijst expliciet naar deze vreemde ruimtelijke ordening door een aantal gele kleefbolletjes op papier op de ruit te kleven en de vloer van het deurgat te markeren met een gele plakband. Ook op andere plaatsen, op alle niveaus van de galerieruimte, heeft zij iets dergelijks gedaan. Gele plakbanden markeren door- en overgangen. Het zijn de zichtbaar gemaakte vectoren van een nauwkeurige opmeting van de galerie met als titel de bestandsnaam Yvetot (2002). Deze minimale ingrepen vertonen gelijkenissen met aanduidingen in publieke ruimten die verwijzen naar nutsvoorzieningen of een of ander latent gevaar (trede, loszittende steen!). De argeloze bezoeker is geneigd ze als dusdanig te beschouwen en ze niet verder in consideratie te nemen. Het is Lieve D'hondt precies te doen om die latente inwerking van tekens en lijnen op het perceptieve bewustzijn van de 'voorbijganger'. Onwillekeurig begeleiden ze uw stappen en aanwezigheid in de ruimte en brengen ze die in overeenstemming met Lieve D'hondts ruimtelijke perceptie en meetwerk. Er is dan, net zoals in het werk van Wambacq sprake van een kalibrerende werking. Maar waar die werking bij Wambacq haast monolithisch is (verwijzend naar de spankracht van de fragiele staak), gebeurt dit bij Lieve D'hondt bijna onderhuids. De bezoeker zal daarom kennis kunnen nemen van haar aan de ingrepen voorafgaand onderzoek door een documentaire map te raadplegen waarin schema's, cijfers, woorden en beeldmateriaal zijn opgenomen. Daarin vindt men terug hoe de kunstenaar de ruimtes heeft gescreend en gescand, en kan worden geverifieerd wat en hoeveel u hiervan zelf heeft opgenomen. De ruimte omheen het kunstwerk, zijn in situ-bepaling, wordt met de installatiekunst van steeds groter belang, en steeds meer als uitgangspunt genomen. Bij Lieve D'hondt is de site zelf het thema van de artistieke werkzaamheid.
Wanneer u de trap beklimt, bereikt u de verdieping van Galerie Duchamp waar zich een even grote ruimte als het gelijkvloers ontvouwt. De ruimte omheen het trapgat is wit, ook de vloer.
Daar komen Mr. & Mrs. (Cygnus - Swamp) (2002) van Heidi Voet u al tegemoet. Een uit helblauwe steentjes opgetaste ballonvijvervormige plas dreigt zich onder de balustrade door in het trapgat naar beneden te storten. Bovenaan de trap ligt een stapeltje vellen papier waarop een vouwplan is weergegeven, het schema om met het papier een zwaan te vouwen. Ook al spoort de nabijheid van de stenen plas misschien sommigen onder u aan deze opdracht daadwerkelijk uit te voeren en het moerasje te bevolken met uitgedoofde zwanen, het betreft hier in tegendeel de preconstructie van ding-begrippen, de plastische mogelijkheden van de mentale schemata 'zwaan' en 'moeras'. Naast en tegenover het blauwe moeras, waar men, om geen steentjes in het rond te schoppen, ferm overheen moet stappen of omzichtig langsheen moet schuifelen, worden de driehoekige segmenten waaruit zo een papieren vouwzwaan bestaat, uitvergroot opgestapeld in wit geverfde (één zwaan) of zwart geverfde (meerdere zwanen) vezelplaat. De witte driehoekige fragmenten vormen een willekeurig stapeltje, de zwarte liggen in verschillende aantallen per driehoeksoort binnen een kwadrant. De poëtische titel, het beeld van de zwaan (hoe onopgevouwd ook), het moerasblauw, verlenen aan het abstracte werk een bijzonder sensuele kracht. Tussen het suggestieve en het abstracte in, in al zijn plastische capaciteit, ontplooit dit werk een waaier aan conceptuele mogelijkheden, die een bevrijdende werking uitoefenen op de kijker. Immers is het niet in de eerste plaats het verhaal van of achter deze mijnheer en mevrouw dat ons aanbelangt, maar de condities van hun 'marriage', de encyclopedie van de myriaden mogelijkheden om ons kijken te instrueren en ons kijkplezier te vergroten.
Een 'marriage' van heel andere aard en aantal vinden terug in de twee grote prints die zorgvuldig zijn bevestigd aan de muur rechts, net na het overschreiden van het moeras.
De grote vierkantige en rechthoekige prints bestaan uit een rasterstructuur waarin, wanneer u ze vanop een afstand bekijkt, optisch draaiende bewegingen te onderscheiden vallen. Naderbij ontdekt u dat die op art-abstractie is opgebouwd door een opeenvolging van in gelederen opgestelde logo-achtige figuurtjes. Deze uit zwarte vierkantjes opgebouwde wezens creëren door het telkenmale aannemen van een andere houding en opstelling op zich of onderling de dynamiek in het raster. Individueel kan het figuurtje 4096 verschillende houdingen aan. Wanneer tegenover elkaar uitgespeeld per koppel wordt dit aantal verschillende combinaties gekwadrateerd. Deze Hansup Studies (2002) van Hans Verhaegen zijn naast ontwerpen voor verdere toepassingen ook illustraties van de uitdaging om de generatieve krachten van de computerprogrammatuur te toetsen. Niettegenstaande hij feilloos de uitkomst kent en niet af te rekenen heeft met een oneindigheid, maar met een perfecte afronding, gaat Hans Verhaegen toch op zoek naar de visuele uitkomst van de alignering van 16.777.216 couples. Hij doet dit niet alleen omwille van een louter kwantitatief genot (een economie, zeg maar), maar ook gedreven door een nieuwsgierigheid naar het visuele effect ervan. Het ontwerp en gebruik van digitale informatienetwerken maken vormen en inhouden in steeds grotere mate in- en verwisselbaar en worden deze 'shifts' gebruikt om überhaupt betekenis te genereren. Het is die andere manier van communiceren, informatie verstrekken en opnemen die we ons eigen maken. Door het introduceren van een ultieme test gaat Hans Verhaegen hiertoe de kwaliteit van onze ogen na.
Aldus getraind richten we ons met een kwartslag links naar wat bij het bovenkomen de achterwand vormt van de ruimte. Links daarvan bevindt zich een smalle trap die leidt naar een zolder en waar zich enkele permanente collectiestukken bevinden van Galerie Duchamp. Maar deze bezoeken we bij deze gelegenheid niet. U staat het vrij dat wel te doen, op eigen risico welteverstaan.
Aan de wand hangt een tekening. In enkele lijnen zien we een reikhalzende figuur. Langsheen de muur vindt u op de vloer uitgestald enige geometrische vormen, de figuren van veelvlakken. Voorts een in multiplex opgebouwde posterhouder, waarin nog meer tekeningen zijn opgeslagen en kunnen opengeslagen worden. De constellatie van Koen De Decker wordt gecompleteerd door een in de voorgrond geplaatst nu iets groter veelvlak, bewerkt met spiegels, waarin een klassieke bronzen vrouwenbuste haar oog laat weerkaatsen. Dit beeld brengt de beroemde kopergravure 'Melencoliah' van Dürer in gedachte, waar een denkende vrouwenfiguur met vleugels is voorgesteld met een hele reeks voorwerpen die fungeren als alchemistische symbolen, en waaronder een prominente, in steen gekapte achthoek. Die stomende melancholische (zelf)reflectie komt in dit werk van Koen De Decker op diverse manieren tot uiting. De installatie, die dus bestaat uit verschillende werken, heet Temporary Forever (2002). Dit 'immer tijdelijke' is in de eerste plaats een 'nooit defintief', en verwijst naar de mechanismen en drijfveren van de arstitieke activiteit, de voortdurende aaneenschakeling van beschouwingen en overdenkingen. Veelvlakken, reeds sinds de renaissance symbolen bij uitstek voor studie en onderzoek, zijn opgebouwd uit punten, lijnen en 'reflecties': het ene vlak is een spiegeling van het andere. Koen De Decker's veelvlakfiguren zijn uitgevoerd in diverse materialen (lampen, koperen buizen, …): het betreft dan de bemiddeling van een bepaald materiaal met betrekking tot het veelvlak. Die onmiddellijke terugkaatsing van het plastische denken vinden we eveneens in zijn expressieve lijntekeningen, waarbij de emotie lijnrecht resulteert in de figuur.
Aan de overblijvende muur van de bovenverdieping, tegenover de uni- en pluriforme rijken van Verhaegen en De Decker, bevinden zich twee grote foto's van Geert Goiris, gevat in plexi. Ze stellen noordelijke landschappen voor (en zo eindigen we de tentoonstelling waar we ze begonnen). In beide foto's tekent zich een bres af, een vouw. In Approaching Water (2000) is dat de bergkam waardoorheen zich gesmolten ijswater naar beneden stort (hier gebeurt hetgeen even verderop, bij de vijver van Voet, net niet aan het gebeuren is). Aan de voet van de bergkam staan, zeer onwezenlijk, enige woningen. Relatie tussen natuur- en cultuurfenomeen is hier tot het uiterste gespannen. Men vraagt zich in eerste instantie af of de natuur wel echt is, dan pas of het mogelijk is daar te wonen. Mede doordat het licht in de foto zo werd uitgepuurd, letterlijk ontdaan van onzuiverheid, verkrijgt het gepresenteerde eigenschappen van het virtuele en laat zij de ruimte open (zoals in een bres of een vouw), voor een stemming, voor een belevenis, uiteindelijk voor een verhaal. Net zo een spel, en wellicht nog manifester in zijn voorstelling, is gespeeld in de andere foto, Polar Circle (2002). De bres of vouw in het ruige landschap wordt hier vertegenwoordigd door de culturele factor: een gaanderijachtige constructie die zich in het midden in de breedte van het beeld uitstrekt. Door het vastleggen van de fysiek aanwezige, zichtbare pendant van een gedachtenconstructie of afspraak (de poolcirkel), slaagt de fotograaf in het verenigen van een reële, een virtuele en een abstracte component.
Als u weer beneden bent gekomen, kan u, voor u weggaat, nog even naar het keldertje van de galerij. Hier vindt u documentatie over Netwerk Galerij, verantwoordelijk voor de zopas beschreven tentoonstelling. Als u daarna Galerie Duchamp buitengaat en naar rechts oploopt, bereikt u de 'Place des Belges'.

Frank Snyders

Staal / Made in Belgium
Groeps tentoonstelling Galerie Duchamp, Yvetot, (France). Samenstelling Netwerk Galerij
18/10/02 > 04/12/02